Toen Mark Twain in 1867 het Land van Israël bezocht, dat toen nog onder Ottomaanse heerschappij stond, beschreef hij geen bloeiende, dichtbevolkte Arabische staat die later door Joden werd ‘gekoloniseerd’. Hij beschreef een verwaarloosd en desolaat land.
In ‘The Innocents Abroad’ schreef Twain over lege valleien, onbewerkte velden, moerassen, ruïnes en uitgestrekte gebieden waar nauwelijks mensen woonden. Hij beschreef delen van het land beroemd als ‘desolaat’ en ‘onbevolkt’.
Dat betekent niet dat er niemand woonde. Arabieren, Joden, christenen, Druzen en anderen woonden er verspreid. Maar Twains observaties uit de eerste hand spreken de moderne revisionistische fantasie volledig tegen dat het land vóór het zionisme een bloeiende Palestijnse nationale samenleving was.
Jeruzalem zelf telde destijds slechts zo’n 15.000 inwoners, en Joden vormden al de grootste bevolkingsgroep in de stad. Een groot deel van het land was arm, onderontwikkeld, geteisterd door malaria en economisch stagnerend na eeuwenlange Ottomaanse verwaarlozing.
De transformatie kwam later. Joodse pioniers droogden moerassen af, bestreden malaria en tyfus, bouwden boerderijen, wegen, universiteiten, ziekenhuizen, havens, industrieën en complete steden van de grond af op, waardoor een verwaarloosde provincie uitgroeide tot een van de meest geavanceerde en innovatieve landen ter wereld.
Mensen negeren Twains getuigenis omdat die het simplistische koloniale verhaal dat ze aan de Joodse geschiedenis proberen op te dringen, ontkracht.

